
Orgaanvlees: voedingskracht en traditie
Orgaanvlees raakt in de moderne westerse keuken vaak in de vergetelheid. Vroeger hoorde het gewoon bij het dagelijkse eten. Organen als lever, hart, nieren, tong, milt, longen en testikels zitten bomvol vitamines en mineralen. Veelal meer dan gewoon spiervlees. Dit is dan ook de primaire reden achter het idee van veel van onze supplementeren: orgaanvlees weer toegankelijk maken voor wie het geen dagelijkse kost meer is.
Onafhankelijk van je keuze in dezen is orgaanvlees van de slager of supermarkt het avontuur absoluut waard, mocht je er helemaal of grotendeels mee onbekend zijn als maaltijdoptie. Het kan echt een flinke boost geven aan je (wekelijkse of maandelijkse) micronutriënt-inname. Wie van je vrienden, partner of kinderen raadt wat er op hun bord ligt?
Hieronder vind je een korte opsomming van de meest bekende soorten orgaanvlees en tevens wat ze zo bijzonder maakt qua voedingsstoffen. We stippen ook kort aan in welke klassieke Europese gerechten deze organen een rol speelden.
Lever: micronutriëntenbom
Lever is misschien wel het meest voedzame stuk vlees dat je kunt eten. Het zit vol met vitamine A (retinol), wat je nodig hebt voor je weerstand, je huid en je zicht. Daarnaast vind je er ontzettend veel vitamine B12 in, goed voor je bloed en je zenuwstelsel. Ook folaat, riboflavine, niacine, ijzer, koper, zink, selenium en choline vind je in flinke hoeveelheden terug. Het is bijna niet te doen om al deze voedingsstoffen in zulke hoge concentraties uit andere producten te halen.
Lever heeft in Europa een rijke traditie. In Duitsland eet men gebakken lever met uien, in Scandinavië verwerken ze het in pasteien en worsten. In Frankrijk en België maken ze er terrines en patés van. In deze culinaire tradities waardeert men met name de romige structuur en diepe smaak. Je moet er alleen niet dagelijks grote hoeveelheden van eten, want te veel vitamine A kan op termijn schadelijk zijn. Af en toe lever is dus het devies.
Hart: rijk aan B-vitamines en co-enzym Q10
Het hart is eigenlijk vooral spierweefsel, dus qua voedingswaarde lijkt het op spiervlees, maar dan toch met meer micronutriënten. Zo krijg je er veel vitamine B12, riboflavine en niacine uit, welke allemaal belangrijk zijn voor je energiehuishouding. Ook levert hart je ijzer, zink en selenium. Wat hart echt bijzonder maakt, is het co-enzym Q10. Q10 heb je nodig voor de energieproductie in je cellen. Naarmate je ouder wordt, maakt je lichaam daar minder van aan.
In Europa at men hart niet vaak als los gerecht, maar het belandde wel in stoofpotten en gemengde orgaangerechten. In Oostenrijk en Zuid-Duitsland stoofden ze hart samen met longen of tong tot een stevige maaltijd. Beuschel was een iconisch Weens gerecht, vergelijkbaar met een ragout, gemaakt van hart en longen in een donkere saus met room. Het wordt veelal geserveerd met broodknoedels (Semmelknödel).
Nieren: selenium en B-vitamines
Nieren lijken qua voedingsprofiel wat op lever, maar de accenten liggen anders. Nieren bevatten veel vitamine B12 en riboflavine, en staan vooral bekend om hun hoge gehalte aan selenium. Selenium ondersteunt je antioxidantensysteem en je schildklier. Ook ijzer en zink zitten erin. Te veel selenium is overigens niet goed, dus ook met nieren geldt: eet gerust maar met mate.
In Europese keukens kwamen nieren regelmatig op tafel. In de Lage Landen stoofde men niertjes of werden ze geserveerd in mosterd- of roomsaus. In Groot-Brittannië zijn steak-and-kidney pies klassiek. Deze combineren nieren met spiervlees, voor meer smaak en voedingswaarde. Dit troostgerecht dat teruggaat tot de 17e eeuw. Het evolueerde van hartige puddingen tot een vast onderdeel van de pubcultuur in de 19e en 20e eeuw.
Tong: eiwit, vet en vooral smaak
Tong bestaat vooral uit spier en wat vet. Je krijgt er hoogwaardige eiwitten uit, plus vitamine B12, ijzer, zink en selenium. Het springt er kortom niet uit qua extreme hoeveelheden micronutriënten, maar het vult goed en levert veel energie. De structuur is stevig, maar als je het goed bereidt, wordt tong heerlijk mals.
In Europa was tong vooral iets voor de klassieke keuken. Rund- en kalfstong kookten ze langzaam en serveerden ze met sauzen, zoals madeirasaus of tomatensaus. In Centraal-Europa werd tong ook koud gegeten, in dunne plakjes, als voorgerecht of op buffetten. Het was echt een delicatesse.
Milt: bron van mineralen en B-vitamines
De milt krijgt weinig aandacht, maar is zeker niet oninteressant qua voedingswaarde. Dit orgaan zit vol met vitamine B12, ijzer, koper en selenium. Vitamine A ontbreekt bijna helemaal, dus anders als bij lever hoef je niet bang te zijn voor te veel retinol als je vaker in de maand (of week) milt eet. De smaak is trouwens ook wat milder dan die van lever.
In Europa eet men milt vooral in bepaalde regio’s. In Zuid-Europa bijvoorbeeld, waar ze milt vroeger in stoofschotels stopten of samen met andere organen op tafel zetten tijdens feestmaaltijden. Klassieke gerechten met milt zijn voornamelijk te vinden in de Italiaanse (Siciliaanse) en Georgische keuken, zoals het Siciliaanse broodje "Pani ca meusa" (gefrituurde kalfsmilt op een sesambroodje) en het Georgische "Kuchmachi" (een mix van ingewanden, waaronder milt). Zulke streekgebonden gerechten zijn meestal lokaal gebleven en zijn buiten hun streek nooit echt doorgebroken
Longen: bijzondere textuur en mineralen
Longen vallen meteen op door hun structuur. Ze zijn sponzig, heel anders dan andere organen. Qua voedingswaarde zijn ze laag in vet, bevatten wat eiwitten en leveren mineralen zoals kalium, ijzer en zink. Er zit zelfs een beetje vitamine C in – best bijzonder voor een dierlijk product. Door die sponsachtige structuur worden longen meestal gestoofd.
In de Europese keuken kom je longen, net als de milt, vooral tegen in streekgerechten. In delen van Oostenrijk en Zuid-Duitsland maken ze stoofpotten van longen, vaak met zure sauzen, en serveren ze het met knoedels of brood. Zulke recepten laten eens te meer zien dat mensen vroeger echt alles van het dier gebruikten.
Testikels: eiwitrijk maar dan anders
Testikels, of stieren-, rammen- of lamsballen zijn in veel culturen onderdeel van de traditionele keuken. Ze bestaan vooral uit eiwitten, vet en cholesterol, en ze leveren ook wat vitamine B12, zink, selenium en fosfor. Je vindt er niet zulke grote hoeveelheden vitamines in als in lever, maar wel belangrijke orgaanspecifieke bouwstoffen voor hormonen en cellen. (Cholesterol heeft overigens bij de meeste mensen een minimale invloed op het cholesterolgehalte in het bloed, dit in tegenstelling tot wat vroeger werd gedacht.)
In Europa zie je testikels vooral terug als regionale specialiteit. In Spanje heten ze “criadillas”. Ze gaan meestal door een laagje paneermeel en dan de pan in, of verdwijnen in een stoofpot. In Frankrijk heten ze “animelles” (een naam die overigens voor allerlei zachte organen werd gebruikt) of “rognons blancs”. Ze worden in Noord-Amerika vaak Rocky Mountain oysters, prairie oysters of calf fries genoemd, veelal geserveerd als voorgerecht met cocktailsaus. Andere benamingen zijn onder meer "huevos de toro" (Spaans/Latijns-Amerikaans), "granelli" (Italiaans) en "kapura" (Hindi).
Qua smaak zijn testikels mild en de textuur is zacht, dus ze krijgen vaak gezelschap van kruiden, boter of een goede saus.
Samenvattend
Orgaanvlees is een excellente aanvulling op een gevarieerd dieet. De meeste variaties, waarvan we er hierboven een paar hebben uitgelicht, zitten vol met micronutriënten die je uit gewoon spiervlees lastig haalt. Dit zal niet onbekend zijn, en is ook niet onbelangrijk, voor mensen die ervaring hebben met paleo of carnivore dieetvormen. Juist omdat het zo rijk is, moet je er een beetje op letten hoeveel en hoe vaak je het eet, met name lever. Afwisseling en portiegrootte zijn hierbij ook belangrijk. Bovengenoemde Europese gerechten laten in ieder geval zien dat orgaanvlees ook echt een fundamenteel onderdeel was van de diverse landelijke en regionale keukens van ons continent.
Magnesium - 100% Natuurlijk




